Stage
De stage stelt de student in de gelegenheid om zijn beroepscompetenties te toetsen en verder te ontwikkelen. Daarbij gaat het specifiek om competenties die de student zich voornamelijk in de beroepspraktijk eigen kan maken, dus door mee te werken in een organisatie. De stageperiode kan variëren van tien weken tot vijf of zes maanden. Tijdens de stage staat de ontwikkeling van de student centraal en goede begeleiding staat daarbij voorop. Naast begeleiding in het stagebedrijf krijgt de student ook een coördinator vanuit de opleiding toegewezen.
Stageopdrachten zijn er in allerlei soorten en maten. Vanuit de opleiding wordt er vooraf wel kritisch gekeken naar de stageplaats. Zo wordt bekeken of de geboden begeleiding op de stageplek wel voldoende is.
Doel van de stage
Stagedoelen worden in drie categorieën ingedeeld:
1. Leren functioneren binnen een organisatie of instelling
De student krijgt hierdoor een beeld van het werken in de beroepspraktijk. De student leert samen te werken en te functioneren in een organisatie. Organisatiesensitiviteit en organisatie-inzicht vormen de basis voor het leren functioneren in de beroepspraktijk.
2. Leren van het beroepsmatig handelen
Dit kan op twee manieren vorm krijgen:
uitvoering van reguliere beroepstaken op niveau door werkzaam te zijn binnen een arbeidsorganisatie.
uitvoering van een stageopdracht, waarin de aanpak van een beroepstaak of oplossing van een beroepsprobleem centraal staat;
3. Beroepspersoonlijk functioneren
De student stelt persoonlijke doelen. Deze kunnen zich richten op de verkenning, profilering of verdieping van een inhoudelijk gebied en op het verbeteren of verdiepen van persoonlijke vaardigheden.
Stagebegeleider bedrijf
is binnen de stagebiedende organisatie de persoon die verantwoordelijk is voor het functioneren van de student. Mogelijk wordt deze verantwoordelijkheid gedelegeerd naar een begeleider die de vraagbaak is in de dagelijkse beroepspraktijk.



